Slide background

Zelfredzaamheid bij brand, 10 mythes ontkracht

Het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra (NIFV) heeft in 2008 onderzocht of slachtoffers van brand door beter beleid gered hadden kunnen. Uit dit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen niet altijd goed ondersteund worden door de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen. Groene bordjes met nooduitgang worden soms genegeerd, maar blijken ook soms onzichtbaar te zijn door rook. Ook blijkt dat het zelfredzame gedrag minder adequaat is dan theoretisch wordt gedacht.

Hieronder worden de 10 mythes van het zelfredzame gedrag ontkracht.

 

10 mythen

Mythe 1. Mensen kennen de gevaren van brand

De gevaar perceptie van mensen is lager dan de ernst van de situatie in werkelijkheid is.

Het blijkt lastig te zijn om de brandontwikkeling in te schatten.

Daarnaast houden mensen zich vast aan rolpatronen (bijvoorbeeld er wordt eerst afgerekend in de kantine of winkel voordat men de ruimte verlaat).

Het verstikkende gevaar van rook wordt onderkend. Mensen die bekend zijn met het gebouw blijken nog vaker door rook te lopen.

Mythe 2. Mensen vluchten zodra ze een brandalarm horen

Dat is wat in de uitgangspunten van de bouwregelgeving wordt aangenomen. Maar in werkelijkheid blijkt dat mensen vaak helemaal niet vluchten zodra ze een brandalarm horen. De reactie op een brandalarm kan enkele minuten tot enkele uren duren.

Duidelijke informatie over de ernst van de situatie blijkt belangrijk te zijn voor het vluchtgedrag. Zo wordt een brandalarm met een gesproken bericht het meest serieus genomen door de aanwezigen in een gebouw.

Mythe 3. Mensen maken bij het vluchten gebruik van de groene vluchtrouteaanduidingen

Uit incidentevaluaties naar de ontvluchting bij brand blijkt dat 92% van de overlevenden zich niet bewust is van de aanwezigheid van groene bordjes of deze simpelweg negeert. Daarnaast hangen de bordjes meestal op een onstrategische plaats. Over het algemeen worden ze vlak onder het plafond en boven een deur geplaatst. Maar warme rook stijgt op, waardoor de bordjes in de rooklaag komen te hangen. Het licht van de bordjes wordt door de rook weerkaatst, zoals ook gebeurt bij autolampen bij het rijden door mist. Hierdoor zijn de bordjes niet meer zichtbaar. En als er veel ‘ruis’ in de omgeving is, zoals reclame-uitingen, blijkt de vluchtrouteaanduiding nog minder op te vallen.

Mythe 4. Mensen vluchten via de dichtstbijzijnde nooduitgang

Het is niet zozeer de afstand tot de nooduitgang die de keuze voor een bepaalde uitgang bepaalt. Nee, mensen vluchten doorgaans via de route waarmee ze bekend zijn. Over het algemeen is dit de (hoofd)ingang waardoor zij zijn binnengekomen.

Daarbij lijkt het zo te zijn dat de uitvoering van de nooduitgangen bepaalt of mensen via die uitgang zullen vluchten. Deuren die zijn voorzien van een noodontgrendeling met een daaraan gekoppeld alarm blijken bijvoorbeeld een negatieve associatie te hebben bij gebouwgebruikers. Deuren met een dergelijke noodontgrendeling worden dan ook niet of nauwelijks gebruikt bij een ontvluchting. Zo werd bij een brand in een verzorgingstehuis 95% van de patiënten door het personeel via één trappenhuis gered, terwijl drie andere trappenhuizen beschikbaar waren. De toegangsdeuren tot deze drie trappenhuizen waren echter voorzien van een alarm. Deze negatieve associatie leidde ertoe dat deze trappenhuizen – zelfs in een noodsituatie – niet gebruikt werden.

Mythe 5. In gebouwen met een hoge bezettingsdichtheid wordt de zelfredzaamheid bij brand bepaald door het aantal nooduitgangen en de deurbreedte

Sinds de invoering van het Bouwbesluit 2003 wordt uitgegaan van de handregel van 135 personen per meter uitgangsbreedte. Echter, uit diverse praktijkstudies blijkt dat bij een daadwerkelijke ontvluchting slechts 60 personen per meter deurbreedte per minuut door de nooduitgangen kunnen.

Mythe 6. Liften en roltrappen zijn niet geschikt voor het vluchten bij brand

De schatting is dat circa 3000 mensen uit WTC 2 de ramp hebben overleefd door een zelfstandige ontvluchting via de liften gedurende de eerste 16 minuten van de ramp. Vooral in zeer hoge of in complexe en drukke gebouwen, zoals treinstations, zou de ontvluchting via roltrappen en liften een gewenste aanvulling kunnen zijn. Daarnaast is de zelfstandige ontvluchting van mensen met een fysieke beperking, zoals rolstoelgebruikers, nauwelijks mogelijk zonder het gebruik van een lift.

Mythe 7. Bedrijfshulpverleners zijn overbodig: de technische brandveiligheidsmaatregelen zijn veel belangrijker

Ook al is een gebouw brandveilig uitgevoerd, dan nog bepaalt het gedrag van de aanwezige mensen uiteindelijk voor een belangrijk deel de zelfredzaamheid bij brand. Mensen laten zich sterk beïnvloeden door het gedrag van anderen en passen hun eigen gedrag daarop aan. Mensen zijn geneigd instructies van anderen op te volgen, vooral als ze afkomstig zijn van mensen met autoriteit en als de instructies overeenkomen met de eigen beoordeling van de situatie. Verder zijn personeelsleden vaak beter bekend met de nooduitgangen, zeker wanneer ze goed getraind zijn in ontruiming, en kunnen zij bezoekers of klanten aansporen om de nooduitgangen te gebruiken. Uit incidentevaluaties en experimenten blijkt dat een goed functionerende bedrijfshulpverleningsorganisatie de reactietijd ongeveer tienmaal kan verkorten ten opzichte van de situatie waarin de ontvluchting niet door getraind personeel wordt begeleid.

Mythe 8. Mensen met een permanente functionele beperking zijn het minst zelfredzaam bij brand

Maar de resultaten uit de literatuurstudie tonen aan dat mensen met een functionele beperking bij brand niet per definitie minder zelfredzaam zijn dan mensen zonder functionele beperking. Wat betreft het waarnemingsvermogen zijn blinde mensen bij slecht zicht als gevolg van bijvoorbeeld lichtuitval beter in staat zich te oriënteren dan niet visueel gehandicapte mensen.

Ook blijken mensen met een permanente functionele beperking in geval van een noodsituatie prima in staat te zijn om zich in een gebouw te verplaatsen, zoals zij dat ook kunnen in normale situaties.

Mythe 9. Mensen zijn zelfredzaam bij brand als zij zich onder normale omstandigheden zelfstandig in een gebouw kunnen verplaatsen

Vooral in hoge gebouwen, waarbij veel trappen afgedaald moeten worden, blijken veel mensen last te ondervinden van tijdelijke beperkingen. Tijdelijke beperkingen kunnen ontstaan als gevolg van brandeffecten, zoals lichamelijke reacties op hitte en rook (slecht zicht, bewusteloosheid, et cetera). Tijdelijke beperkingen kunnen ook ontstaan door zwangerschap, operaties, overgewicht, astma en dergelijke.

Mythe 10. Mensen raken in geval van brand in paniek

In veel gevallen doen mensen namelijk helemaal niets bij het zien van brand. Ze blijven staan kijken of gaan door met de activiteiten die ze al deden. Of erger nog, ze komen juist naar de brand toe om het natuurverschijnsel van zo dichtbij mogelijk te ervaren.

Conclusie:

In de huidige praktijk van brandveiligheid in gebouwen staat de techniek centraal. Niet de techniek, maar de mens zou centraal moeten staan bij de brandveiligheid van gebouwen. We weten uit incidenten en experimenten bijvoorbeeld dat aanwezigen in gebouwen doorgaans via de bekende uitgang vluchten, reageren op een gesproken bericht en elkaar of een leider volgen. In al deze elementen is een geoefende hulpverlener (BHV) welke bekend is met de juiste looproute en de deuren tezamen met een doeltreffende BHV communicatie van belang. Ook kan een gesproken bericht op bijvoorbeeld het (mobiele) nummer helpen om mensen tot de juiste actie te manen. Spreek eens met een van onze accountmanagers en zie hoe MultiBel u kan helpen.

 

Bron: Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid Nibra (NIFV) Zelfredzaamheid bij brand 10 mythen ontkracht

By | 2018-03-02T11:31:34+00:00 maart 3rd, 2017|Brand alarmering, Toepassingen|0 Comments